Meuk

Ik wist dat het me veel verdriet zou opleveren. Toch moest ik me er van mezelf aan wagen. Tot dit inzicht kwam ik een dag van tevoren. Ik had nog geen idee dat mijn gedachten zich een dag later zouden vormen tot een waterdicht ontsnappingsplan.

Een kort verhaal van Floor Korthout

De zomervakantie was eindelijk begonnen. Een uur geleden verliet ik voorgoed de basisschool. Voor het eerst in mijn leven maakte ik mee hoe het was om afscheid te nemen van een warm nest. Een liefdevolle omarming die ik moest inruilen voor een kille middelbare school. Waar niemand mij kende. Deze zomervakantie voelde als een plek tussen wal en schip. De wal, de basisschool, lag achter me. Het schip, de middelbare school, leek nog zo ongrijpbaar ver. Het enige wat ik kon was in de diepe zee vallen en wachten tot ik het schip zou bereiken. Waar ik kon opdrogen van mijn lange zwemtocht er naartoe.
Het eerste obstakel had ik in ieder geval overleefd: zonder waterval van tranen afscheid nemen van mensen die ik acht jaar om me heen had gehad. Het volgende obstakel stond me te wachten: met de scouting op zomerkamp gaan. Morgen zou ik vertrekken naar een terrein, midden in een bos in Mook. Mook. Ik had er nog nooit van gehoord. De topografielessen in groep 5 hadden mij nooit tot Mook gebracht. Het enige waar ik bij Mook aan kon denken was meuk. Meuk omdat dat dat het eerste negatieve woord was wat in me op kwam. Meuk omdat ik voor een week lang kleren en andere spullen – meuk dus – in moest pakken. Het eerste wat ik had ingepakt, was een grote steen. Die steen deed ik niet in mijn tas, die had zich genesteld in mijn buik. Onvrijwillig was hij daar terechtgekomen. Afkomstig uit mijn hart, via een omweg naar mijn hersenen, zo mijn maag in.
‘Ha, fijn, je bent thuis!’ hoorde ik mijn moeder vanuit de woonkamer roepen als reactie op de dichtslaande voordeur. ‘Heb je je afscheidsfoto met je klas ook bij? Dan hang ik hem gelijk op aan de muur in de hal!’
Ik reageerde niet op mijn moeder. In een rechte lijn liep ik naar mijn slaapkamer. Ik ontgrendelde mijn IPad en tikte direct op het icoontje van Facetime. Na twee keer overgaan vulde het gezicht van mijn beste vriendin Noor mijn scherm.
Zonder dat ik haar kon begroeten, klonk er paniek aan de andere kant van de lijn: ‘Ik weet echt niet wat voor kleren ik morgen aan moet, hoor.’
‘Als je het maar niet waagt dat lelijke scoutingpakje thuis te laten!’ grapte ik over onze scouts-outfit. Die beige blouse was niet om aan te zien. De laatste tijd betrapte ik mezelf er steeds vaker op dat ik er graag mooi uit wilde zien. Mijn eerste skinny jeans had sinds een maand een plek gekregen in mijn vaste garderobe. De pubertijd was begonnen.
‘Noor,’ begon ik serieus te praten, ‘vind jij het niet gek dat je dadelijk een hele week van huis bent?’
Ik had deze vraag echt durven stellen aan mijn beste vriendin.
‘Wat denk je zelf, Fenna! Heerlijk een weekje zonder mijn ouders. Dat ze het maar bekijken met mijn zusje!’
Aan de andere kant van de lijn kon ik alleen maar enthousiasme over het zomerkamp horen. Iets wat ik totaal niet voelde.
‘Ik heb er ook onwijs veel zin in.’ Met mijn beste acteerkunsten probeerde ik Noor te overtuigen.
Er klonk gegrinnik en ik zag dat de wenkbrauwen van Noor omhoog gingen. Die wenkbrauwen vroegen mij eerlijk te antwoorden.
‘Je weet hoe slecht ik ga op een paar dagen van huis zijn, toch? Dat is niks nieuws.’ Ik voelde dat Noor bewust een stilte liet vallen. ‘En nu we voor de eerste keer een hele week op kamp gaan, voelt dat ineens gelijk zo lang. Stel je voor dat ik na een week niet eens meer weet hoe mijn ouders er uit zien, omdat ik ze zo lang al niet meer heb gezien?’ verbrak ik de stilte.
‘Fen, stel je niet aan joh! Je loopt al twaalf jaar met dezelfde ouders om je heen. Je hebt minstens twee weken nodig om hun gezichten te vergeten.’ Noor knipoogde naar me.
In haar grapje zat een hele grote kern van waarheid. Het was onzin om te denken dat ik zou vergeten hoe mijn ouders eruit zouden zien.
‘Het gaat een fantastische week worden, geloof me nou. Je gaat je ouders echt niet missen, daar heb je geen tijd voor. Je zit namelijk de hele week opgescheept met mij!’ Terwijl ze dat zei, stond Noor te springen achter haar camera. Ik keek trots naar mijn energieke, gekke vriendin. Zij was mijn beste vriendin. Niemand anders die haar aan mocht spreken met die titel. Ik zei Noor gedag en klapte de hoes weer om mijn IPad heen.
Toch had Noor me niet genoeg gerust weten te stellen. Het spreekwoord ‘Oost, west, thuis best’ was voor mij niet alleen iets wat in ieder ouderwets huis op een tegeltje geschilderd staat. Het was een zin die onlosmakelijk met mij verbonden was. Nog net niet werd ik met die zin getatoeëerd op mijn voorhoofd geboren. Als ik ergens een hekel aan had, was het weg zijn van huis. Slapen in een tent, met heel veel regen, maakte het idee van op zomerkamp gaan niet beter. Kom op, schouders eronder, had ik mezelf voorgenomen.
Met mijn eigen, geforceerd positieve, gedachten probeerde ik mezelf op te peppen. Het lukte even. Maar toen ik de trap naar de zolder op liep om mijn slaapzak te pakken, brak de waterval aan tranen los die ik tijdens het afscheid op de basisschool zo goed verborgen had weten te houden. Een diep gevoel van verdriet en heimwee stormden op mijn traanbuizen af. Tijdens het snikken vormde ik in mijn hoofd een beeld van mijn tranen die de trap af sijpelden. Ik stond halverwege de trap. De waterval had maar vijf treden nodig om beneden te komen. Niet echt een spectaculaire waterval dus. Bij die realisatie voelde ik dat ik aan het grinniken was. Ik had mezelf herpakt. De slaapzak had ik gelukkig zo gevonden. Mijn neus vond zijn weg door de hoes naar mijn slaapzak. Die muffe lucht lieten mijn tranen voor even opdrogen. In gedachten klopte ik mezelf op mijn schouder. Lekker meid, deze tranen heb je getrotseerd.
Die avond was het weer raak: met geen mogelijkheid viel ik in slaap. De kudde schapen die ik had geteld was uitgegroeid tot een monsterkudde van 638 schapen. Knappe boer die die kudde kan onderhouden. Tijdens het tellen dwaalden mijn gedachten steeds af naar de dag die kwam na deze eindeloze nacht. In mijn hoofd maakte ik een voorstelling van hoe het terrein in Mook eruit zou zien, het meukterrein. Ik zag voor me hoe een rij bomen de weg naar het terrein tot een lange laan maakten. De bladeren vingen de regendruppels die uit de bijna zwarte lucht vielen, op. Als een levensgrote paraplu zorgden ze ervoor dat de weg niet nat zou worden. 639, 640, 641 – denk positief, Fenna.
Opnieuw kwam er een voorstelling in mijn hoofd. De lange weg met bomen was er nog steeds. Nu scheen de zon heel hard en rinkelden de blaadjes aan de bomen mee op het ritme van de wind. In de verte tjirpte er een vogeltje. Ik zag voor me hoe mijn vriendinnen met hun lelijke beige blouse op mij stonden te wachten voor de poort van het terrein. Ze lachten allemaal en zwaaiden naar me alsof ik Sinterklaas was die met zijn stoomboot de haven van Zaandam binnen kwam varen. Dit was beter, concludeerde ik. De komende week wordt fantastisch. Een week lang met vriendinnen slapen in een tent, zonder ouders in de buurt. Wat wilde ik nog meer?
‘Ik wil eten!’
De taal die mijn maag allesbehalve sprak, probeerde ik de volgende ochtend toch zo geloofwaardig mogelijk uit mijn mond te krijgen. Mijn maag was nog steeds gevuld met diezelfde steen. Het leek er zelfs op alsof de steen een groeispurt had doorgemaakt. Hij voelde zowaar nog zwaarder dan de avond ervoor.
‘Je pap staat in de magnetron, nog een minuutje dan is het klaar en kom ik het speciaal voor jou opdienen,’ riep mijn vader vanuit de keuken. Iedere ochtend weer deed hij over de havermoutpap alsof het een driesterren maaltijd was. ‘Smeer je brood voor onderweg maar vast. Er ligt kaas in de koelkast.’
Ik deed wat me gevraagd werd en in een mum van tijd lagen er twee boterhammen met kaas in een boterhammenzakje te wachten om opgegeten te worden. Mijn vader kwam met het driesterrenontbijt de eetkamer in gewandeld. Hij zou met een busje volgeladen met fietsen van ons scoutinggebouw naar het kampterrein in Mook rijden. De autoverdeling was al gemaakt. Ik hoefde niet met mijn vriendinnen in een auto te zitten. Ik wilde met mijn vader meerijden in het busje. Nog even de warme omarming van thuis voelen. Rekken voor zo lang het kon. Misschien was het door het afscheid van de basisschool dat ik zo opzag tegen het kamp.
De laatste knuffel aan mijn kat was gegeven, mijn moeder had me een zoen gegeven. Het was tijd om te vertrekken naar Mook. Met pijn in mijn buik kroop ik naast mijn vader in het busje. Hij neuriede mee met de liedjes op de radio. Hij leek niet door te hebben wat ik voelde vanbinnen. Het voelde alsof mijn darmen in een op hol geslagen draaimolen hadden gezeten en daardoor in de knoop waren geraakt. Een knoop die zelfs ik als scout niet los kon krijgen.
In mijn hoofd zag ik voor de zoveelste keer voor me hoe deze week zou gaan. Ik zag op tegen het naar bed gaan. Het wakker worden zonder mijn ouders om me heen. Het meest zag ik op tegen de ontgroening. Een vast ritueel binnen onze groep. Alle scouts die voor het eerst meegingen op kamp, moesten dit ritueel ondervinden. Ik zou door de oudere scouts vies gemaakt worden. Alsof je als varken in een composthoop had liggen rollen. Al het overgebleven voedsel van die week, beschimmeld of niet, zou als een regendouche over me heen gegooid worden. Nadat een rilling mijn nek bereikt had, splitste hij zich op en liep hij verder over mijn schouders. Via mijn armen bereikte hij het puntje van mijn vingers. Ik wilde niet mee op zomerkamp. Ik wilde het busje niet uit. Ik wilde geen enkele voetafdruk achterlaten op dat stomme kampterrein in Meuk. Mijn gedachten namen mijn bewustzijn over. Voor ik het wist, hadden mijn gedachten ervoor gezorgd dat er zich een waterdicht plan in mijn hoofd had gevormd. Een plan waardoor ik niet op kamp hoefde. Ik voelde dat de knoop in mijn buik zichzelf aan het losmaken was. Alleen al bij het idee dat naar huis gaan binnen handbereik lag, maakte dat ik de zon weer een beetje zag schijnen. Alsof de zon wilde doorbreken achter donkere regenwolken.
‘Na vierhonderd meter bestemming bereikt,’ klonk het uit de navigatie.
Dit was het moment waarop ik aan mijn vader kenbaar moest maken dat ik enorm opzag tegen dit zomerkamp. Nog voordat mijn vader het busje op de handrem had gezet, schraapte ik mijn keel. Een grote hap zuurstof zuchtte ik mijn longen in. Dit was het moment.
‘Pap, ik wil hier helemaal niet zijn. Ik wil niet in een tent slapen. Ik wil geen kilometers lopen met een kompas in mijn hand. Ik wil geen aangebrande, kapot gekookte spaghetti eten. Ik wil niet besmeurd worden met etensresten. Ik wil bij jou zijn, bij mama en bij die spinnende Nola.’
Het hoge woord was eruit. Even was mijn vader stil.
‘Wij gaan ook nooit van jou af komen hè?’ Mijn vader glimlachte naar mij. ‘Hoe we dat doen als je ooit achttien bent en gaat studeren zien we dan wel, jij gaat nu met mij mee naar huis!’
Zijn hand had intussen mijn hand gevonden.
Ik zuchtte. ‘Dankjewel papa. Het voelt alsof ik de afgelopen week een grote steen in mijn buik gehad heb. Een steen die is gaan groeien hoe meer het kamp in zicht kwam.’
‘Je wil niet weten hoe vaak ik dat gevoel al heb gehad in mijn leven. Ik zal de laatste zijn die jou gaat verplichten om tegen je zin in een week op kamp te gaan,’ stelde mijn vader mij gerust.
‘Nu je het zegt, pap. Weet je nog die keer op vakantie dat jij drie dagen niet at omdat je –’
‘Omdat ik Nola miste, ja. Ga nu maar gauw die bus uit om Noor dit slechte nieuws te brengen!’ Mijn vader moest lachen om zijn eigen actie van twee zomers geleden.
Ik gaf mijn vader een knuffel en stapte het busje uit.
Met een hart dat ik in het puntje van m’n neus voelde bonzen, liep ik naar Noor toe die aan het begin van de parkeerplaats op me stond te wachten. ‘Ik ga naar huis, Noor. Ik wil hier niet zijn. Je weet wel wat ik bedoel.’
Noor keek me teleurgesteld aan: ‘Met wie moet ik nou die snoepperziken opeten en die fles vanille cola leegdrinken?’ Tegelijkertijd zag ik in haar ogen dat het haar niet verbaasde dat ik op de valreep deze keuze maakte.
‘Denk maar aan mij bij iedere perzik die je eet en bij iedere slok die je neemt. Dan ben ik er toch een beetje bij, terwijl ik in mijn eigen bed kan slapen en naar mijn eigen wc kan gaan.’
‘Ja, ja, laat ons maar weer een week in een gat in de grond kakken en douchen met water dat ze zo uit Siberië hebben laten over komen.’ Noor porde me tegen mijn bovenarm. Ze kreeg een sarcastisch kushandje van mij terug.
Mijn vader had intussen de laadruimte van het busje verlost van negentien fietsen. De twintigste fiets stond nog braaf in het busje. Dat was mijn fiets.
‘Kom Fenna, we gaan je fiets naar huis brengen.’ Mijn vader sloeg een arm om me heen toen hij dat zei.
Ik wenste mijn mede scouts en scoutsleiding een fijne week toe. Samen met mijn vader liepen we terug naar het busje. Met de arm die niet om mijn schouders gevouwen was, tilde hij mijn veel te zware tas.
In de auto naar huis was het stil. Niet ongemakkelijk stil. Maar stil omdat mijn vader en ik allebei diep verzonken waren in onze gedachten. Ik dacht aan het rotsblok in mijn buik. Dat had ik met één tik in duizenden stukjes laten exploderen. Die kleine stukjes steen waren vloeibaar geworden en kwamen één voor één als tranen uit mijn ogen. Niet van verdriet, maar van trots. Trots omdat ik voor het eerst in mijn leven voor mezelf had durven kiezen. Iets waar ik in mijn toekomst op de middelbare school veel aan zou hebben. Dan zou ik opnieuw stenen in mijn buik gaan voelen. Stenen die daar kwamen omdat ik nieuwe vrienden moest gaan maken. Opnieuw m’n plek zou moeten vinden binnen een school.
Maar zo ver was het nu nog niet. Ik was nu nog aan het zwemmen in dat diepe water, op weg naar dat schip. Door dit zomerkamp af te slaan voelde ik even de bodem onder mijn voeten. Nu had ik weer genoeg kracht verzameld om mijn zwemtocht naar het schip te vervolgen.